OMAROK

Omar Souidi 
Advocaat aan de Balie van Antwerpen
Vennoot Souidi & Souidi Advocaten
Houder van het “Getuigschrift Bijzondere Opleiding Cassatieprocedure in Strafzaken”

Op 2 April 2016 werd in haast elke Vlaamse krant een artikel gepubliceerd met eenzelfde teneur. In DE MORGEN heette het: “…Veel meer verkrachtingszaken geseponeerd sinds verdachte gratis advocaat krijgt…”.

De conclusie in deze kop is foutief, de stelling is tendentieus. Door het woord ‘gratis’ toe te voegen, maakt de auteur paradoxaal genoeg een dure fout.

Advocaten dienen immers na te gaan of de persoon dewelke aan een verhoor onderworpen wordt over de nodige fondsen beschikt om de erelonen van een advocaat te kunnen betalen. Indien de persoon in kwestie onvermogend is dan dient hij een zgn. ‘verklaring van onvermogen’ in te vullen en te ondertekenen. Het is dus behoorlijk van het potje gerukt als zou de bijstand die een advocaat levert aan een verdachte automatisch gratis zijn.

Wanneer ik vervolgens de onweerstaanbare drang krijg om mezelf de vraag te stellen op basis van welk onderzoek en welke statistieken de journalist in kwestie dergelijke slotsom durft te verkondigen, word ik overvallen door volgende zinsnede:

“…Volgens experts is de stijging mede het gevolg van de Salduz-wet. Die is sinds 2012 van kracht en verleent verdachten bij hun eerste verhoor een gratis advocaat…”.

Het benieuwt me sterk welke zgn. experts men laat opdraven om dergelijk oordeel te verdedigen.

Het blijkt een onderzoeksrechter uit Mechelen te zijn. Niet zomaar een onderzoeksrechter, overigens. De Heer Philippe Van Linthout was 20 jaar geleden nog advocaat aan de Balie van Gent. Hij werkte aldaar gedurende twee jaar onder de vleugels van niemand minder dan Mr. Hans Rieder. Van zodra ik verneem dat iemand enkele jaren heeft mogen werken voor een Heer van stand als Mr. Rieder, dan ben ik geneigd om deze persoon met krediet te omarmen.

Onderzoeksrechter de Heer Van Linthout slaagt er echter in mijn natuurlijke neiging te temperen, wanneer ik lees dat hij effectief alludeert op een vermeend oorzakelijk verband tussen de gevolgen van de ‘Salduz-Wet’ en … het aantal sepots inzake verkrachtingsdossiers.

Ik beschik ter zake niet over cijfermateriaal en zelfs al zoú ik zulks bezitten, dan nog is het steevast gissen en interpreteren zodat er überhaupt geen logische gevolgtrekking uit kan gedistilleerd worden.

Wat me echter met name stoort aan betreffend artikel is de weerkerende allusie alsof de bijstand van een advocaat voorafgaandelijk en tijdens een verhoor er voor zou zorgen dat verkrachters voortaan op geheel eenvoudige wijze straffeloos blijven.

De mogelijkheid van een verdachte om een advocaat te raadplegen en diens bijstand te genieten tijdens een verhoor is een fundamenteel recht binnen het strafrechtelijk bestel.

Dat men hier een negatief luchtje omheen wil blazen en Fred met de pet wil doen geloven alsof door die dekselse advocaten en hun verdraaide bijstand verkrachters hun derde been kunnen opdringen, zonder dat iemand hen nadien pootje legt, is op z’n minst populistisch te noemen.

Zo’n onderzoeksrechter kán een en ander trouwens niet concluderen. Hij is vooralsnog geen getuige van het vertrouwelijk overleg tussen dergelijke verdachte en een advocaat. Hij heeft er dus ook het raden naar wat de inhoud van dergelijk overleg betreft. Er zijn tal van andere pistes denkbaar waarom bepaalde statistiekjes gebeurlijk in een bepaalde richting wijzen. De bijstand van een advocaat is bijgevolg niet meer dan één van de potentiële hypotheses.

Nadat de gevolgen van de frapatsen van ene Yusuf Salduz anno 2008 in het Belgische strafrechtlandschap duidelijk werden, verschenen er soortgelijke ‘onheilspellende’ berichten in de krant.

Nu die stiekemerds in hun kraaienpakjes de verdachten kunnen informeren voor aanvang van het verhoor en vervolgens hun aanwezigheid bij dat verhoor ook nog eens kunnen opdringen, zal quasi elke verdachte zich voortaan op zijn of haar zwijgrecht beroepen. Althans, zo dácht men initieel.

De navolgende praktijk heeft dergelijke stemmen – ironisch genoeg – het zwijgen opgelegd, zo is gebleken. Ook al blijven bepaalde lippen hardnekkig een andere richting uitsnauwen.

Zelfs 50 jaar na het fameuze arrest van Ernesto Miranda vs. Arizona en de huidige generatie aldus de facto is opgegroeid met de matig gefabriceerde Amerikaanse politieseries, waardoor de zinsnede “You have the right to remain silent” wereldwijde bekendheid genereerde, is het zwijgrecht nog steeds de paria onder de rechten. Het staat nochtans (als tweede topic) bovenaan het blaadje hetwelk eenieder die als verdachte verhoord zal worden in de handen geduwd krijgt.

Blijkbaar is er een democratisch gestemde wetgever die heeft onderstreept, in navolging van het fameuze arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dd. 27/11/2008, dat een verdachte o.m. het recht heeft om zich op zijn zwijgrecht te beroepen.

Owee als je dat ook durft te doen! Dan wordt het gegarandeerd in een latere fase van de procedure op je boterham gesmeerd. Gefronste wenkbrauwen in harmonie met een matig geacteerde zucht, ondersteunen alsdan het verwijt. Alsof het in voorkomend geval een keuze zou zijn geweest om je verdacht te maken of een en ander zou neerkomen op een imaginaire smeekbede om alsjeblieft in de cel te mogen blijven.

Ten onrechte geloven bepaalde actoren klaarblijkelijk dat iemand “er wel iets mee te maken zal hebben” indien hij of zij zich op zijn zwijgrecht beroept.

Het is de eerste ‘what the heck’-ervaring die een verdachte beleeft wanneer ie het jasje van inverdenkinggestelde krijgt aangepast en voor een raadkamer moet verschijnen. Wat hem of haar enkele dagen eerder door de lokale of federale champetter nog gepresenteerd werd als ‘recht’, wordt plots hét alibi om deze (op dat ogenblik nog steeds niet schuldig verklaarde) persoon de mantel uit te vegen.

Als je het op zo’n ogenblik aandurft om als advocaat uit te leggen dat het zwijgrecht nu eenmaal een van die beesten is die de cliënt onder de snuffel kreeg geschoven op een van de vier bladzijden getiteld ‘Verklaring van Uw rechten’, dan krijg je wel eens je bak vol en blijkt dat witte befje aan de toga plots multifunctionele dimensies te vertonen.

Men staat er kennelijk niet bij stil dat er verscheidene scenario’s denkbaar zijn waarom, ook onschuldigen, zich op hun zwijgrecht beroepen.

Een arrestatie is niet zelden psychologisch een ingrijpende gebeurtenis. De manier waarop zo’n arrestatie plaatsvindt en het momentum waarop een persoon het label van verdachte aangemeten krijgt, is niet altijd de visu zichtbaar.

Een persoon die zich bijvoorbeeld in een staat van shock bevindt, doet er soms goed aan om zich voorlopig op zijn zwijgrecht te beroepen tot de bovenkamer opnieuw zen is. Niemand, speurders incluis, heeft baat bij een ongestructureerde verklaring waarin de onjuistheden zich opstapelen ten gevolge van mentale hindernissen.

Is mijn advies aan alle cliënten per definitie om gebruik te maken van hun recht om te zwijgen? Neen, niet altijd. Strafrecht is immers maatwerk. Wanneer wel? Als mijn cliënt bijvoorbeeld blijkt te twijfelen over zijn mentale paraatheid om op dat ogenblik een verklaring af te leggen die hem of haar tijdens de gehele procedure zal blijven achtervolgen. Eén woord kan immers vele ernstige gevolgen sorteren. Die ‘paraatheid’ kan naast ‘shock’ ook afhankelijk zijn van verscheidene andere parameters, zoals bijvoorbeeld onzekerheid of onduidelijkheid omtrent procedures / nuances / feiten / gebeurtenissen, rechten of plichten, context, acute zenuwen, etc.

In al die gevallen is mijn advies duidelijk: beroep je op datgene wat de democratisch gestemde wetgever heeft omschreven als een RECHT.

Zwijgrecht. Mooi woord. Paradoxaal genoeg moet je het woord in principe wel uitspreken om je er op te kunnen beroepen.